Handreiking
Ketensamenwerking EG voor de VO
In deze Handreiking vind je informatie over "Ketensamenwerking": wat is dat? Wanneer werk je samen? Wat zijn kansen en wat zijn valkuilen? Tips? De informatie is mede gebaseerd op ervaringen van de opvangvoorzieningen in de Expertgroep, en van de leden van de Focusgroep van Ketenpartners.
Bij de aanpak van huiselijk en eergerelateerd geweld spelen veel instellingen en organisaties een rol. Ieder kan immers slechts een stukje van de oplossing leveren, maar niemand kan alles. Dit loopt van preventie tot en met nazorg. Alle instellingen samen vormen een ketting, een keten. De belangrijkste partners vormen samen een "Ketenoverleg". De belangrijkste partners naast de Vrouwenopvang zijn het Steunpunt Huiselijk Geweld (SHG), politie, Bureau Jeugdzorg (BJZ) en de gemeente. Ook wel een 'Miniseren" of een "Kernteam Eergerelateerd Geweld" genoemd. Soms neemt ook het Openbaar Ministerie (OM) deel.
+ -1 - Doelen Ketensamenwerking voor de Vrouwenopvang
- Zo goed mogelijke hulp en bescherming bieden voor de cliënt en haar kinderen, evenals hulp en/of vervolging voor de geweldpleger(s).
- Bij eergerelateerde zaken heb je veel verschillende soorten expertise, overleg en afstemming nodig.
- Delen van verantwoordelijkheden en taken met professionals van andere instellingen. Ieder neemt een stukje van de hulp op zich, samen vormen zij een "keten" van hulp.
- Vergroten van de verwijzingsmogelijkheden van:
- Vroegtijdige signalering en melding
- Begeleiding en bescherming van de veiligheid van:
- Slachtoffer en haar eventuele kinderen
- Medebewoonsters
- Medewerkers opvang
- Vervolging en/of begeleiding van de pleger(s)
- Contact/Begeleiding andere partij (ouders, familie) in het conflict
- Bemiddeling tussen cliënt en haar familie
- Nazorg en bescherming na verblijf in de opvang
- Per cliënt alle noodzakelijke hulp kunnen bieden. Sommige instellingen nemen op verzoek deel als hun specifieke kennis nodig is (bijv. de GGZ bij psychiatrische problemen).
- Voorkomen dat hulpverleners langs elkaar heen werken bij een casus.
- Instellingen kunnen aanspreken die de gemaakte afspraken niet nakomen.
- Kortere lijnen, om sneller zaken te kunnen regelen. Bijv. voor minderjarigen BJZ inschakelen voor hun wettelijke rol als voogd. Of de Raad voor de Kinderbescherming vragen om een Onder Toezichtstelling (OTS).
2 - Enkele effecten van Ketensamenwerking
- Soms kan de opvang geen plaats bieden, maar maakt zij zich wel zorgen om een aanmelding. Met de Ketenpartners kan zij afspreken wie dan (tot de opname) zorg en bescherming biedt (bijv. een wijkagent houdt extra oogje in het zeil).
- Deelnemers aan een Ketenoverleg leren elkaar goed kennen. De lijnen zijn korter, verwijzen en samenwerken gaan daardoor gemakkelijker.
- Ketenpartners leren van elkaars ervaring, kennis en visie op de problematiek en in de verschillende casussen. Daardoor kan de aanpak steeds beter worden.
3 - Inhoud Handreiking Ketensamenwerking
Wanneer je één van onderstaande links aanklinkt, vindt je korte toelichting over dat onderwerp.
3.1 - Wanneer samenwerken met andere instellingen?
Wanneer schakelt de vrouwenopvang andere instellingen in bij een bepaalde casus? Waarover moeten dan afspraken gemaakt worden? Hieronder enkele (vaak voorkomende) voorbeelden.
3.1.1 - Risicoscreening: Code Oranje of Rood.
Wanneer bij de Risicoscreening de uitslag Code Oranje of Rood is, moet de opvang de Regionale Politie raadplegen. Vraag naar de Taakaccenthouder Eergerelateerd Geweld. Met de politie afspraken maken o.a. over:
- Het verder onderzoeken van de risico's.
- De veiligheidsmaatregelen die de cliënt en de opvang moeten nemen, en de taak van de politie daarbij.
- Eventueel overplaatsing en vervoer naar opvang in andere regio.
- Wel of niet een LEC-analyse aanvragen. Zo ja, wie neemt dit op zich? Zie eventueel: Lijst van Experts voor contactgegevens.
3.1.2 - Familie zoekt cliënt en bedreigt haar.
Wanneer duidelijk is dat de familie op zoek is naar cliënt maakt de opvang afspraken met de politie over o.a.:
- Extra surveillance in de buurt van de opvang.
- Contact opnemen met de familie om hen tot kalmte te manen.
- Contact opnemen met de familie door de politie om hen te waarschuwen dat zij hen in de gaten houden en oppakken bij nieuwe dreigementen of bij gebruik van geweld.
- De veiligheidsmaatregelen die de cliënt en de opvang moeten nemen, en de taak van de politie daarbij.
- Eventueel overplaatsing en vervoer naar opvang in andere regio.
- Wel of niet een LEC-analyse aanvragen.
3.1.3 - Cliënt is minderjarig
Wanneer een cliënt minderjarig is (-18) moet de opvang contact opnemen met Bureau Jeugdzorg. Zij maken afspraken over o.a.:
- Het regelen van een Voorlopige Onder Toezicht Stelling (VOTS).
- overleg met de ouders over geheime verblijf
- bemiddeling voor eventueel contactherstel
3.1.4 - Cliënt heeft minderjarige kinderen
Wanneer een vrouw haar kinderen meeneemt is zij verplicht om BJZ in te schakelen. De vader heeft in principe recht op een bezoekregeling, tenzij het voor de kinderen te gevaarlijk is. In gevallen van (uitsluitend) eergerelateerd geweld, hoeft er geen sprake te zijn van geweld tegen de kinderen. De moeder kan natuurlijk wel beducht zijn voor ontvoering.
Zie ook: Opvang van de kinderen
De opvang moet afspraken maken met Bureau Jeugdzorg over o.a.:
- Eventueel een bezoekregeling met de vader
- Bewaken van de veiligheid daarbij.
- Eventueel bemiddeling met de vader/familie voor contactherstel
3.1.5 - (Jongere) zusjes die mogelijk risico lopen op EG
Wanneer een cliënt nog zusjes in de puberleeftijd heeft die (nog) bij de ouders wonen, kunnen zij ook slachtoffer zijn (of worden) van eergerelateerd geweld. Na de vlucht van hun zus zijn de ouders naar hen misschien veel strenger. Ze mogen waarschijnlijk geen contact hebben met hun zus. De conflicten kunnen toenemen. Misschien worden ze (meer) thuisgehouden, geslagen of uitgehuwelijkt.
Een 'afgesloten' zaak kan in een later stadium weer actueel worden, bijv. als een jonger zusje wordt uitgehuwelijkt.
Het is verstandig om de zorg hierover te delen met andere instanties. Indien mogelijk bij voorkeur diegene die al contact hebben met het gezin, of met de zusjes.
Met Regiopolitie en BJZ afspraken maken over o.a.:
- risicotaxatie op geweld tegen de zussen (bijv. informatie via huisarts of school inwinnen)
- via school (Zorg Advies Team) informatie geven over hulpmogelijkheden
- eventueel extra toezicht, surveillance door de wijkagent
- overleg en bemiddeling met de ouders door BJZ en/of politie
- eventueel een OTS aanvragen als er geweld is of dreigt tegen de zusjes
- elkaar over en weer informeren over de ontwikkelingen
3.1.6 - Cliënt wil contactherstel met de familie
Wanneer een vrouw of meisje de wens uit om het contact te herstellen met haar familie, of haar ouders, zet de opvang een bemiddelingstraject in. Zij schakelt hierbij de altijd politie in met het oog op de veiligheid. De opvangvoorziening bemiddelt soms zelf (met de politie) tussen cliënt en familie.
Soms neemt BJZ, een expert of andere gezagspersoon dit op zich. Wie de bemiddeling op zich neemt hangt af van de beschikbare deskundigheid. Ook de situatie (hoe dreigend?) bepaalt dit mede.
Zie voor meer informatie: Bemiddeling in de Handreiking Begeleiding.
De betrokkenen maken afspraken over o.a.:
- wie het contact met de familie legt
- wie de gesprekken met de familie voert en voert met cliënt (meest logisch: de opvang)
- de uiteindelijke bemiddelingsgesprekken
- de veiligheidsmaatregelen
3.1.7 - Cliënt heeft specialistische hulp nodig
Bijv. bij Post Traumatische Stress Syndroom (PTSS) of een psychiatrische aandoening is overleg met de GGZ nodig. Wanneer er sprake is van een verstandelijke beperking met MEE. Het overleg betreft o.a.:
- mogelijkheden voor consult en advies voor de opvangmedewerkers
- mogelijkheden voor persoonlijke begeleiding van cliënt
3.1.8 - Cliënt vertrekt uit de opvang
Rond de nazorg en monitoring dient de opvang afspraken te maken, met cliënt zelf, en met andere instellingen. Ongeacht of cliënt onverwacht, zonder overleg met de begeleiding, of volgens afspraak vertrekt, en ongeacht of cliënt terug naar huis gaat of zelfstandig gaat wonen. Afspraken over o.a.:
- Met de politie over veiligheid, eventueel over Aware.
- Met BJZ over begeleiding van minderjarige (en eventueel haar ouders bij de opvoeding).
- Met AMW over psychosociale begeleiding.
- Met specialistische begeleiding via GGZ of MEE.
3.1.9 - Cliënt kan (nog) niet naar de opvang
Soms is samenwerking met andere instellingen al noodzakelijk voordat een cliënt naar de opvang komt. De opvang heeft (nog) geen plek, of de vrouw of het meisje wil, kan of durft zelf nog niet naar de opvang. Of het probleem kan beter ambulant worden aangepakt. Uiteraard adviseer je cliënt bij haar aanmelding over veiligheidsmaatregelen die ze zelf kan treffen (zie: Vluchtplan in Handreiking Begeleiding en raadpleeg werkboek). Als je de situatie als risicovol inschat maak je afspraken met o.a.:
- de politie over het bewaken van de veiligheid, bijv. als cliënt belt de melding direct serieus nemen, extra ogen en oren open via de wijkagent;
- Regionale Steunpunt Huiselijk Geweld om alert te zijn op signalen en meldingen uit het betreffende gezin;
- Indien er al een hulpverleningsinstantie bij het gezin betrokken is, deze vragen om te signalen van conflicten en gebruik geweld, te melden bij SHG of politie. Of indien deze hulpverlener voldoende deskundig is, om dit bespreekbaar te maken (in overleg met politie). Ook om de vrouw of het meisje te helpen als zij moet vluchten.
- Als de huisarts bekend is, ook deze vragen om alert te zijn op signalen en eventueel geweld te melden bij het AMK, SHG of politie.
3.2 - Welke samenwerkingspartners?
De politie is voor de vrouwenopvang de belangrijkste bondgenoot bij de opvang van slachtoffers van eergeweld. Zowel bij de aanmelding, risicoscreening, bescherming, bemiddeling en de nazorg heb je de politie nodig. Over het algemeen verloopt de samenwerking tussen vrouwenopvang en politie goed. Dit geldt ook voor samenwerking met het LEC EG bij de Politie Haaglanden, al duurt het soms lang voordat een analyse gemaakt is.
De opvang heeft daarnaast met veel andere samenwerkingspartners te maken. Bij eergerelateerd geweld zijn dit vrijwel dezelfde als bij huiselijk geweld.
Om een indruk te krijgen van de verscheidenheid, hieronder een schema met de belangrijkste uitvoerende organisaties en hun taken.
3.3 - Hoe ziet regionale Ketensamenwerking eruit?
Wanneer je één van onderstaande links aanklinkt, vindt je korte toelichting over dat onderwerp.
3.3.1 - Ketenoverleg
Vaak bestaat er in de regio al een Ketenoverleg Huiselijk Geweld. Hierin zijn altijd hulpverlenings- en justitiële instellingen bij betrokken. Deelnemers zijn uitvoerende werkers, soms aangevuld met beleidsmedewerkers. Een Ketenoverleg Eergerelateerd Geweld (KEG) kan hier bij aansluiten.
Meestal gaat het immers om dezelfde organisaties. Het kan ook handig zijn: bij een nieuwe aanmelding is in het begin niet altijd duidelijk of er alleen huiselijk geweld speelt, of dat het (ook) om eergerelateerd geweld gaat. In veel gevallen lopen huiselijk en eergerelateerd geweld door elkaar. In de eerste fasen van de aanpak van een casus kunnen de Ketens samen optrekken, bij:
Vroegsignalering en Analyse/Dossiervorming en Kwalificatie/Weging .
Daarna kunnen de twee Ketens eventueel onafhankelijk van elkaar verder werken:
Van Toewijzen casusregie naar Uitvoering Hulp tot Evaluatie.
In gevallen waarin geen sprake is van huiselijk geweld, maar er meteen duidelijk sprake is van eergerelateerd geweld, doorloop je dezelfde stappen. De instelling waar de melding binnenkomt moet direct contact zoeken met de Ketenpartners. De politie moet altijd betrokken zijn.
Bij eergerelateerd geweld dienen de Ketenpartners rekening te houden met andere factoren als bij huiselijk geweld, bijv.:
- dat men zeer voorzichtig moet optreden en met informatie moet omgaan, omdat het probleem niet in de gemeenschap van cliënt bekend mag worden
- indien dit wel gebeurt, dat het conflict en daarmee het geweld kan escaleren
- dat er meerdere plegers en handlangers kunnen zijn
- dat met het oppakken van een (potentiële) pleger, het gevaar nog niet geweken is
- dat er veel familieleden haar zullen zoeken
- dat er bemiddeling met de familie moet worden ingezet om het mogelijke eerverlies te herstellen en de schade te beperken
- dat een zaak vaak lang kan duren, soms ineens weer kan oplaaien
3.3.2 - De ketenregisseur en de casemanager
Het Ketenoverleg staat onder leiding van een "ketenregisseur" (vaak het Steunpunt Huiselijk Geweld, of de GGD). Dit is de voorzitter.
Op casusniveau coördineert de hulpinstelling die het meest bij de cliënt is betrokken (bijv. de opvang) de hulp. Deze "casemanager" bewaakt of iedere ketenpartner de afspraken nakomt, en of men niet langs elkaar werkt.
3.3.3 - Waarover praten zij?
In het Keten/Casusoverleg bespreken de deelnemers de casussen, de situatie en mogelijkheden en hoe de onderlinge taakverdeling en de strategie zal zijn. Of er ook meer vakinhoudelijke kwesties aan bod komen, zal afhangen van de beschikbare tijd:
- nieuwe aanmeldingen of lopende zaken.
- welke informatie met elkaar gedeeld kan/moet worden? (ivm. geheimhouding)
- wat wil de cliënt? hoe schat zij de situatie in? wat zijn haar mogelijkheden? welke hulpbronnen heeft zij in haar omgeving?
- het doel van de hulpverlening? welke aanpak en strategie?
- welke instelling wat gaat doen voor de cliënt, de kinderen en/of haar echtgenoot/familie?
- aanhouding/vervolging van de pleger(s)
- wie de regie/coördinatie (de "casemanager") doet van een bepaalde casus
- hoe de samenwerking eruit moet zien: frequentie van overleg, elkaar direct informeren bij onverwachte ontwikkelingen;
- gedurende de looptijd van de casus informeert men elkaar over de ontwikkelingen in het Ketenoverleg, zo nodig bilateraal ook tussendoor;
- eventueel worden plannen dan weer aangepast
- e.d.
Een voorbeeld:
Een Afghaans-Nederlands meisje meldt zich aan bij de Vrouwenopvang vanwege dreigementen van vader met uithuwelijking. Ze heeft een Nederlands vriendje en haar ouders accepteren dit niet. Het blijkt dat Bureau Jeugdzorg al bemoeienis had met het gezin wegens opvoedingsconflicten. De opvang brengt deze casus in het Ketenoverleg. Met de politie en Bureau Jeugdzorg en het schoolmaatschappelijk werk van haar opleiding worden daar de volgende afspraken gemaakt:
- BJZ is de casemanager; het meisje krijgt onderdak en begeleiding in de opvang zolang als nodig is; en de politie en BJZ zullen samen met de ouders praten over een mogelijke oplossing; het schoolmaatschappelijk werk houdt op school in de gaten hoe het met haar leerprestaties gaat en of ze op school niet bedreigd wordt door familie. Mocht dat zo zijn schakelt de school meteen de politie in.
- Het casusoverleg komt iedere 2 weken samen om elkaar te informeren over hoe het gaat met het meisje, hoe het overleg met de ouders verloopt, e.d. Zijn er andere zussen? Hoe is het met hun veiligheid?
- Op een gegeven moment besluit het Ketenoverleg de aanpak bij te stellen, uiteraard na overleg met het meisje. De situatie is onveiliger Geworden, het meisje kan voorlopig beter niet naar buiten.
- Als de situatie nog onveiliger wordt, zal het casusoverleg eerder bij elkaar komen en misschien andere maatregelen treffen.
- Om in vroegtijdig stadium al slagvaardig te zijn, bijvoorbeeld wanneer er veel aanmeldingen van huiselijk en eergerelateerd geweld binnenkomen bij de instellingen, kan de vrouwenopvang ook een "mini-KEG" starten met het Steunpunt HG (of het Meldpunt EG) en de politie.
Een paar keer per week, eventueel dagelijks spreken zij de nieuwe meldingen door. Wanneer er mogelijk sprake is van een eerkwestie kan het Steunpunt/Meldpunt of de politie verder onderzoek doen. Daarna beslist het mini-KEG of er nog een LEC-analyse nodig is, opvang, andere hulp, etc. Deze werkwijze is efficiënt, vanwege de korte lijnen en de snelle (re)acties.
3.3.4 - Casuïstiekoverleg en Stuurgroep
Naast het Ketenoverleg, zijn er nog andere vormen van samenwerking en afstemming mogelijk. De niveaus van werken en de doelen verschillen:
- Bilaterale contacten: doel is om snel te kunnen overleggen en te handelen rond een bepaalde zaak tussen twee instellingen. Bijvoorbeeld na de Risicoscreening neemt de opvang contact op met de politie, omdat de uitkomst code Rood is. Er is gevaar dat de familie gaat zoeken. De politie moet extra surveilleren.
- Casuïstiekoverleg: is bedoeld voor werkers die zich samen vakinhoudelijk verder willen bekwamen. Hierin:
- brengen deelnemers eigen vraagstukken in die men samen exploreert
- bevragen en ondersteunen deelnemers elkaar op professionele interventies
- komen vakinhoudelijke kwesties aan bod (bijv. hoe interpreteer je de rode vlaggen en de uitslag van de screening?)
- reflecteren op de problematiek van eergerelateerd geweld: bijv. wat betekent dit voor je werk? Voor preventie, opname en nazorg?
- Stuurgroep: heeft als doel om op beleidsniveau niet-vrijblijvende afspraken tussen de ketenorganisaties te maken en in een protocol of convenant vast te leggen. Dit zijn afspraken over afstemming en samenwerking bij de aanpak van casussen van eergerelateerd geweld. Deelname is niet vrijblijvend. Iedere organisatie heeft een "resultaatsverplichting": men is gebonden om een bepaald aanbod te leveren. Komt een instelling dit niet na, dan spreekt de voorzitter deze daarop aan. Deze verplichting is belangrijk om samenwerking echt tot stand te brengen. In het protocol of convenant wordt o.a. vastgelegd:
- Wie heeft welk aanbod? Wanneer schakelt men elkaar in? Bereikbaarheid? Hoe vaak overleg? De rol, taken en bevoegdheden van de voorzitter, de ketenregisseur. Idem van de leden.
- Hoe te bepalen wanneer wat moet gebeuren in een casus? Wie heeft wanneer het casemanagement over een casus? Eventueel ook afspraken over deskundigheidsbevordering.
- In de Stuurgroep nemen beleidsmedewerkers en managers deel.
De overleggroepen kunnen naast elkaar bestaan. De voorzitters van het Keten/Casusoverleg en het Casuïstiekoverleg dienen wel te overleggen en af te stemmen met de voorzitter van de Stuurgroep. Dan kunnen zij knelpunten en hiaten die hierin naar voren komen, doorgeven aan het Handreiking Samenwerken voor de Veiligheid van (potentiële) slachtoffers van eergerelateerd geweld; M. de Boer, 2008.beleid/management. De Stuurgroep kan deze daarna aanpakken.
- Overleggen kost tijd. Wanneer het echter doelgericht gebeurt, bespaart het tijd, omdat taken voor de cliënt gedeeld kunnen worden met andere instellingen. Samenwerken is echter vooral in het belang van de cliënt, omdat deze een meer gevarieerd en op haar situatie toegesneden hulpaanbod krijgt. Check of het management afspraken heeft vastgelegd en ondertekend, zodat je tijd en ruimte hebt om met andere partners te overleggen over zaken.
- Probeer je als uitvoerende werker (ook) aan te sluiten bij een casuïstiekoverleg. Bestaat dit niet in je regio richt er zelf een op! Het is zeer leerzaam om onderling kennis en ervaring uit te wisselen. Samen evalueren van een bepaalde aanpak en bekijken hoe je de aanpak kunt verbeteren. Je kunt ook af en toe externe deskundigen uitnodigen voor de inhoudelijke verdieping.
- Zie voor meer informatie over o.a. casuïstiekoverleg ook Hoofdstuk 18. Samenwerking in het boek "In Ontmoeting".
3.3.5 - Convenant of protocol?
Het is belangrijk dat tussen de betrokken instellingen afspraken zijn vastgelegd, waar je als werker op terug kunt vallen. Dat niet bij elke casus een overleg moet worden georganiseerd maar dat er een standaard is ontwikkeld: hoe vaak er ketenoverleg plaatsvindt, hoe de zaken worden besproken; en hoe de taak- en rolverdeling is.
- Je spreekt van een samenwerkingsconvenant als er vooral afspraken zijn vastgelegd over WANNEER en WIE wat doet bij een casus.
- Je spreekt van een samenwerkingsprotocol als er veel afspraken zijn vastgelegd over HOE je een casus (samen) aanpakt.
Zie: Handreiking Samenwerkingsafspraken EG
- Zijn er problemen in de samenwerking met een ketenpartner waar je niet uit komt, schakel dan je management in. Het management heeft meer 'doorzettingsmacht' om iets gedaan te krijgen. Dit geldt zowel voor stroeve samenwerking binnen de eigen instelling als met een ketenpartner.
3.3.6 - Wie is contactpersoon van de opvang?
Bij zaken waar eergeweld speelt moeten zo weinig mogelijk mensen op de hoogte zijn, met oog op beperken van bekendheid van de problemen in de gemeenschap van de cliënt. De kans op chantage van medewerkers door familie, of op (per ongeluk) lekken van informatie moet zo klein mogelijk zijn.
Spreek als opvangvoorziening af wie van de medewerkers de vaste vertegenwoordigers zijn in het Ketenoverleg of de Stuurgroep, en wie de reserves zijn. Deel deze taken over meerdere medewerkers om de kans op overbelasting te verkleinen.
Deze vertegenwoordigers dienen goede informatie te hebben over de procedures rond geheimhouding en hoe zij de casussen in het overleg adequaat kunnen bespreken.
Literatuurtips:
- Lydia Janssen en Paul Baeten, Uitgave NIZW
- Spelregels rond samenwerkingsverbanden rond huiselijk geweld (2003)
- Samenwerken en Beroepsgeheim, juridische mogelijkheden voor het uitwisselen van persoonsgegevens bij de aanpak van huiselijk geweld (2004).
- Spelregels voor samenwerkingsverbanden huiselijk geweld Baeten, P. (2003)
- Horen, zien en zwijgplicht,Uitgave NIZW
Wegwijzer huiselijk geweld en beroepsgeheim / M.S. Kruijff, R. Keus. - Den Haag : Ministerie van Justitie, 2007. - 30 p.
horen_zien_en_zwijgplicht_2009.pdf - Modelconvenant gegevensuitwisseling aanpak huiselijk geweld, Uitgave NIZW
modelconvenant_huiselijkgeweld.pdf
3.4 - Bovenregionaal ketensamenwerking
Veel cliëntn in de VO komen van buiten de regio, dat geldt zeker voor diegenen die met eergerelateerd geweld worden bedreigd. Dit betekent dat de opvang moet overleggen en samenwerken met instellingen buiten de eigen regio. Dit overleg is vooral met de politie en, bij minderjarigen, ook met BJZ.
Onbekende partners
- Vaak moet het eerste contact nog worden gelegd met een instelling in een andere regio. De opvang heeft er in zulke gevallen nog geen contactpersoon. Al verloopt de samenwerking met het BJZ in de eigen regio goed, met een ander Bureau moet je dit contact weer opbouwen. En afwachten of dit lukt.
- Als cliënt na verblijf in de opvang vertrekt kan de Vrouwenopvang alleen via een "warme overdracht" de cliënt helemaal loslaten. Het moet gewaarborgd zijn dat een van de ketenpartners contact houdt, door een vinger aan de pols, een luisterend oor en observatie. Formele instanties kunnen een rol spelen bij het opzetten van een sociaal netwerk of steunstructuur.
(Zie ook: Handreiking nazorg EG voor de vrouwenopvang van Katinka Lünnemann) Vertrekt een cliënt naar een andere regio, dan moet je dit regelen met instellingen waar de opvang wellicht nog geen contacten mee heeft. Dit maakt het tijdrovender en lastiger om sluitende afspraken te maken.
- Schakel BJZ, politie of een andere instantie in de eigen regio in met wie een goede samenwerkingsrelatie bestaat, om het contact te leggen en zaken te regelen met het betreffende collega-bureau in de regio waar de cliënt woont of gaat wonen. Of vraag hen de namen van de contactpersonen (indien aangesteld, voor eergerelateerd geweld) bij dit bureau.
- Vraag de collega-vrouwenopvangvoorziening in de andere regio advies over geschikte ketenpartners, namen van contactpersonen, e.d.
- Vraag bij de politie altijd direct naar de speciaal aangestelde taakaccenthouders eergerelateerd geweld. Die zijn in principe werkzaam bij elk van de 25 politieregio's.
3.5 - Knelpunten in de samenwerking
Enkele knelpunten die in de Expertgroep Eergerelateerd geweld van de Vrouwenopvang aan bod kwamen zijn beschreven, met een aantal tips voor de aanpak.
3.5.1 - Geen meldingen
- Veel vrouwen en meisjes blijven lang in een ondermijnende en gewelddadige situatie. Ze zijn bang voor de consequenties als ze hulp inschakelen, bijv. voor represailles van de familie. Ook kennen zij vaak de hulpmogelijkheden van de vrouwenopvang niet. Of ze hebben daarover zoveel negatieve (voor)oordelen, dat ze niet durven te bellen.
- De omgeving, buren, vrienden, school, huisarts, etc. pikken de signalen van problemen niet op. Ze durven niet te vragen of er iets aan de hand is. Of ze laten zich afschepen met een 'niks aan de hand!'-antwoord.
- Zorg dat verschillende beroepsgroepen als jeugdgezondheidszorg, onderwijspersoneel, welzijnswerk, e.d. voorlichting krijgen over eergeweld. Dit kan hen tot bekwame signaleerders en melder maken. Dat hoeft de vrouwenopvang niet zelf te verzorgen. Wellicht kan het Steunpunt Huiselijk Geweld dit uitvoeren, of een regionaal Centrum voor Maatschappelijke Ontwikkeling (CMO).
- Zorg als opvangvoorziening voor actieve samenwerking met lokale/regionale migrantenorganisaties. Organiseer samen met hen voorlichting aan hun achterban, de culturele gemeenschappen, over onderwerpen als eer, man-vrouwverhouding, vormen van inter-familiaal geweld, de consequenties daarvan, en de aanpak in de gemeente.
- Ook hierin kunnen andere organisaties een voorlichtende rol spelen als de Voorlichters Eigen Taal en Cultuur van de GGD, of Stichting Kezban.
- Zorg dat ook informatie over de werkwijze van de politie, opvang en hulpverlening aan bod komt. Dit helpt om eventuele (voor-)oordelen over de Nederlandse instanties weg te nemen. Wellicht verlaagt het de drempel om hulp te vragen..
- Als het project ook in jullie gemeente draait, werk dan samen met het project 'Aan de goede kant van de eer'. Daarin brengen migrantenorganisaties een bewustwording en discussie op gang in hun gemeenschappen. Zij werken daarin samen met regionale reguliere instellingen. Zie:Aan de goede kant van de eer.
3.5.2 - Lange doorlooptijd
Bij eergerelateerde casussen heb je meestal te maken met langlopende zaken. Veel zaken die dus regelmatig terug moeten komen op de agenda van het Ketenoverleg. Deze lange doorlooptijd drukt op het overleg, want ondertussen dienen zich nieuwe zaken aan. De caseload neemt toe. De druk en stress is vaak voelbaar. Het gevaar bestaat dat dan niet de vraag van de cliënt, maar de agenda van de instellingen de duur van het onderzoek of de behandeling bepaalt.
- Spreek als ketenpartners de Stuurgroep aan op zorg voor goede ondersteuning van het Ketenoverleg. Er is zowel organisatorische, strategische, financiële en inhoudelijke ondersteuning nodig. De ketenpartners moeten leren hoe zij de casussen zo effectief mogelijk kunnen bespreken.
3.5.3 - Geen noodzaak zien van samenwerking
- Wanneer een collega-instelling niet het belang ziet van samenwerking rond eergerelateerd geweld, kunnen daar verschillende redenen voor zijn. Hulpverleners herkennen en erkennen bijvoorbeeld niet dat eergerelateerd geweld voorkomt, men ziet de ernst en het gevaar niet. Of ontkent het management de verantwoordelijkheid voor een gezamenlijke aanpak. Misschien geeft een instelling aan geen tijd te hebben voor overleg en samenwerking.
- Schakel het management van je eigen instelling in. Deze kan het op de agenda van de Stuurgroep van het Ketenoverleg plaatsen. De Stuurgroep kan met het management van de betreffende instelling de knelpunten in de samenwerking bespreken en wellicht aanpakken.
- Organiseer een voorlichtingsbijeenkomst/workshop over de problematiek en de aanpak voor medewerkers van deze instellingen. Verstrek informatie over aard en omvang, liefst ook cijfers, eventueel landelijke cijfers vertaald naar de regionale situatie.
3.5.4 - Samenwerking Bureau Jeugdzorg
- De deskundigheid binnen veel Bureaus Jeugdzorg over eergerelateerd geweld is beperkt. BJZ neemt soms beslissingen die gevaar kunnen opleveren voor een cliënt. Zo geeft BJZ normaal gesproken na 2 weken de verblijfplaats door van een minderjarige aan de ouders, ondanks dringend advies van de opvang om dat niet te doen.
- Ook bij de zorg na verblijf in de opvang leidt de ondeskundigheid van BJZ wel eens tot verkeerde beslissingen.
- Een voogd, of anders een casemanager, bij BJZ heeft de regie over de hulpverlening. Soms duurt het lang voordat de opvang weet wie bij BJZ verantwoordelijk is voor een meisje. De snelheid waarmee zaken geregeld worden lijkt teveel afhankelijk van individuele werkers, niet van beleid.
- BJZ heeft te maken met allerlei wet- en regelgeving. Voor de vrouwenopvang is niet altijd duidelijk waaruit de gang van zaken en dilemma's voortkomen. Komt dit voort uit specifiek beleid van het betreffende BJZ, of uit de houding van de betreffende voogd?
- Organiseer een overleg tussen de intakers en andere relevante medewerkers van de opvang met een aantal gezinsvoogden en gedragsdeskundigen van het regionale BJZ. In aanwezigheid van een manager van zowel BJZ als opvang de knelpunten en mogelijke oplossingen bespreken.
- Organiseer gezamenlijke deskundigheidsbevordering over eergerelateerd geweld om de kennis en ervaring te delen en te verbreden.
- Stimuleer deskundigheidsbevordering over eergerelateerd geweld voor het regionale BJZ. Dit kan via de Stuurgroep van het Ketenoverleg, of via een verzoek van je eigen management aan het management van BJZ.
- Andersom: Vraag BJZ om voor lichting te geven over alle richtlijnen, wetgeving en procedures waar BJZ rekening mee moet houden, aan de opvangmedewerkers (of alle Ketenpartners).
3.5.5 - Gezagsvacuüm minderjarigen
- Als een minderjarige naar de opvang vlucht moet BJZ zo snel mogelijk een Voorlopige Onder Toezicht Stelling, (V)OTS, uitspreken, zodat het gezag over het meisje is geregeld. Soms duurt het echter weken voordat dit geregeld is, sommige BJZ vragen geen (V)OTS aan. Er is dan niemand die als wettelijk vertegenwoordiger kan optreden. Dat kan lastig zijn, bijvoorbeeld bij het aanvragen van studiefinanciering. En een meisje is vrij om zelf te bepalen wat ze doet, ook al is dat (op termijn) tegen haar eigen bestwil. Een minderjarige overziet niet alle consequenties van een bepaalde keuze, maar als opvang sta je dan met lege handen.
- Een VOTS is niet altijd nodig. Wanneer ouders toestemming geven tot verblijf van hun minderjarige dochter, en daarmee ook instemmen dat zij het adres van die verblijfplaats niet kennen, is geen VOTS nodig. De verantwoordelijkheid blijft dan echter bij de ouders liggen. Is de verblijfplaats bekend geworden bij de familie, dan moet het meisje voor haar veiligheid naar een andere opvang.
- Ook al ligt er een VOTS, de ouders blijven verantwoordelijk voor een aantal zaken, bijv. ondertekenen officiële formulieren en voor het schoolgeld, zak- en kleedgeld. Als zij weigeren dit te betalen, kan BJZ hen hierop aanspreken, meer niet.
- Wanneer een meisje bijna 18 is wordt er vaak geen VOTS aangevraagd. Vanaf 16 jaar kan iemand ook een 'meerderjarigheidsverklaring' aanvragen. Indien toegekend valt echter ook de verantwoordelijkheid van BJZ weg.
- Zorg dat in de opvang voldoende informatie beschikbaar is over Juridische Zaken. Of zorg dat hierover scholing komt.
- Vraag BJZ om de medewerkers van de opvang, of de Ketenpartners, voor te lichten over alle richtlijnen, wetgeving en procedures waar BJZ rekening mee moet houden.
3.5.6 - Geen (voldoende) nazorg
Na de periode van opvang is er zorg nodig voor de cliënt van andere ketenpartners. Soms neemt een ketenpartner echter geen (voldoende) verantwoordelijkheid voor de bescherming en hulpverlening aan slachtoffers van eergerelateerd geweld. De vrouwenopvang kan zich verantwoordelijk blijven voelen voor deze cliëntn, waardoor zij taken op zich neemt die feitelijk niet tot haar verantwoordelijkheid behoren. De caseload van de opvang wordt op die manier te groot.
- Zaken rond eergerelateerd geweld kosten veel tijd, en zijn vaak langdurig. Vooral als er ook nog zussen in het gezin zijn is alertheid van BJZ nodig.
- Leg de gemaakte afspraken met andere instellingen over monitoring en nazorg voor een cliënt zoveel mogelijk vast op papier, met handtekening eronder van de betrokken ketenpartners (en eventueel de cliënt).
- Wanneer de (ex)cliënt gegronde klachten heeft over de geboden hulp van de ketenpartner, vraag deze instelling dan naar de gang van zaken, en bespreek de klacht
- Wanneer er meerdere klachten binnenkomen, stap dan naar de eigen leidinggevende met het verzoek om dit op managementniveau (in stuurgroep bijv.) aan de orde te stellen.
3.6 - Project 'Aan de goede kant van de eer'
Als mogelijkheid voor de Vrouwenopvang om meer contact te leggen en samen te werken met migrantenorganisaties wijzen wij hier op het project "Aan de goede kant van de eer". In tien gemeenten organiseren de drie landelijke koepelorganisaties Vluchtelingenorganisaties Nederland (VON), Inspraak Orgaan Turken (IOT) en Samenwerkingsorgaan Marokkaanse Nederlanders (SMN) activiteiten met hun lokale achterban.
Projectdoelen:
- het stimuleren van de dialoog over eergerelateerd geweld binnen de gemeenschappen en het aansturen op verandering van mentaliteit en gedrag;
- het vergroten van de weerbaarheid van de gemeenschappen en slachtoffers bij eergerelateerd geweld;
- het verbeteren van de samenwerking van de gemeenschappen en haar organisaties met algemene instellingen.
Kansen voor de vrouwenopvang
Voor veel migranten en vluchtelingen is het werk van de vrouwenopvang onbekend. Veel mensen hebben er (negatieve) (voor-)oordelen over. Daar komt bij dat in de gemeenschappen het praten over ervaringen met huiselijk en eergerelateerd geweld vaak nog taboe is. Je hangt de vuile was niet buiten. Slachtoffers zijn bang voor de consequenties als ze vluchten, bijv. uitstoting, verlies van verblijfsvergunning, verlies van de kinderen. Veel slachtoffers zijn onbekend met hun rechten en mogelijkheden.
Andersom zijn veel professionals in de vrouwenopvang onbekend met de leef- en denkwijze van migranten en vluchtelingen. Daardoor sluit de werkwijze niet altijd aan bij deze cliëntn.
Samenwerking met de landelijke (VON, IOT en SMN) en de lokale migrantenorganisaties biedt kansen en mogelijkheden voor de vrouwenopvang om:
- Bewustwording en discussie op gang te brengen in voor de opvang vaak moeilijk bereikbare groepen: de culturele gemeenschappen in de regio. Tijdens bijeenkomsten die de zelforganisaties (eventueel samen met de opvang) organiseren geef je voorlichting over huiselijk en eergerelateerd geweld.
- (Voor)oordelen en drempels om hulp te vragen bij de vrouwenopvang te verminderen door tijdens een voorlichting ook informatie te geven over de werkwijze.
- Meer kennis en inzicht in de leef- en denkwereld te verkrijgen doordat je tijdens de tijdens de discussie meningen hoort van mensen met andere culturele en religieuze achtergronden. Door gericht deze inzichten te delen met de andere opvangmedewerkers, wordt deze kennis onderdeel van de opvang.
- Gebruik te maken van de kennis, ervaring en adviezen van migrantenzelforganisaties over de aanpak van huiselijk geweld en eerkwesties in hun gemeenschap.
- Sleutelfiguren van migrantenorganisaties in te schakelen. Dit zijn actieve en betrokken medewerkers van de zelforganisaties (meestal vrijwilligers), die vaak een vertrouwensrol vervullen voor hun gemeenschap. Zij spelen vaak een rol als intermediair tussen Nederlandse instanties en de migrantengroep. Zij leiden soms mensen naar de hulpverlening of politie.
- Sleutelfiguren in te schakelen na vertrek uit de opvang van een cliënt bij de monitoring: hoe gaat het met haar? Hoe verloopt eventueel het contact met familie? Met omstanders? Hoe zit het met haar veiligheid? Zijn er nieuwe bedreigingen, etc.
- Een zelforganisatie in te schakelen bij het opbouwen van een nieuw netwerk van een cliënt (bijv. na verhuizing naar een andere regio, bijv. omdat de familie haar heeft verstoten). Alleen als de veiligheid het toelaat uiteraard!
- Zie voor meer informatie over het project Aan de goede kant van de eer:
- In Den Haag heeft Stichting Mooi een groep 'bemiddelaars' opgeleid, die kunnen bemiddelen tussen een cliënt en haar familie bij een eerconflict: www.stichtingmooi.nl
- Bij individuele casussen geldt altijd: contact met migrantenorganisaties alleen na overleg met en toestemming van cliënt.
- Let goed op de veiligheid van de cliëntn in je contacten met zelforganisaties. Met het oog op je beroepsgeheim en de veiligheid van cliëntn, anonimiseer je de informatie over cliëntn zodanig dat het nooit te herleiden is over wie je eventueel advies vraagt.
Met verstand van zaken
- Inleiding (doc)
- Gevecht voor een vrij en eervol leven (doc)
- Strijd om tijd (doc)
- Beschermingsarrangement (doc)
